Sam werd wakker op de plek waar hij het het allerminst had verwacht: zijn slaapkamer.
Hij was al eeuwen niet meer in zijn oude huis geweest.
Hij had er een hekel aan gehad toen hij hier met zijn moeder had gewoond. Connie Temple. Zuster Temple.
Hij kon zich haar nauwelijks nog herinneren. Ze kwam uit een andere wereld.
Hij ging rechtop in bed zitten en rook braaksel. Hij had overgegeven in zijn bed. ‘Lekker dan,’ zei hij met een dikke tong.
Zijn hoofd ontplofte in supernova’s van pijn.
Hij veegde zijn mond schoon aan de deken. Dit was een van de huizen die door niemand waren geplunderd, beklad of bewoond. Het was kennelijk nog steeds van hem. Misschien lagen er nog medicijnen in de badkamer.
Hij wankelde ernaartoe, leunde tegen de wasbak en gaf nog een keer over. Er kwam niet veel meer uit.
In het medicijnkastje vond hij alleen een klein flesje merkloze ibuprofen.
‘O,’ kreunde Sam. ‘Waarom drinken mensen überhaupt?’
Toen wist hij het weer. Taylor.
‘O nee. O nee.’
Nee, nee, hij had toch niet geprobeerd om Taylor te versieren, hè? Hij had haar toch niet gezoend? De herinnering was zo wazig dat het bijna een droom geweest had kunnen zijn. Maar sommige stukken waren te duidelijk, te echt. Vooral de herinnering aan haar vingertoppen op zijn borst.
‘O nee,’ kreunde hij.
Hij slikte twee ibuprofenpillen zonder water door. Hij kreeg ze maar met moeite weg.
Met zijn handen om zijn hoofd liep hij naar de keuken, waar hij aan de kleine tafel ging zitten. Hij had hier gegeten met zijn moeder. Niet vaak, want ze was bijna altijd op Coates, aan het werk.
Om een bezorgd oogje op haar andere zoon te houden.
Caine.
Caine Soren, in plaats van Temple. Ze had hem afgestaan voor adoptie. Ze waren maar een paar minuten na elkaar geboren, hij en Caine, een twee-eiige tweeling. En hun moeder had Caine weggegeven en Sam gehouden.
Zonder enige uitleg. Ze had het nooit aan een van hen verteld. De waarheid was pas na het ontstaan van de fakz aan het licht gekomen.
En ze had ook nooit verteld wat er met hun vader was gebeurd. Hij was al niet meer in beeld toen Sam en Caine waren geboren.
Was het gewoon te veel geweest voor hun moeder? Had ze besloten dat ze één vaderloze jongen wel aankon, maar twee niet? Iene miene mutte?
Hij had nu een nieuw gezin. Astrid en Kleine Pete. Alleen had hij hen op dit moment ook niet meer. En nu vroeg hij zich af waaraan hij dit had verdiend, de verdwijning van zijn vader, de leugens van zijn moeder, de afwijzing van Astrid.
‘Ja,’ mompelde hij. ‘Tijd voor zelfmedelijden. Arme ik. Arme Sam.’
Het was ironisch bedoeld, maar het klonk verbitterd.
Caine zou waarschijnlijk ook heel wat wrok voelen. Hij was door zijn beide biologische ouders in de steek gelaten: hij had er geen een meer over gehad.
Maar Caine had Diana nog, of niet soms?
Dat was toch niet eerlijk? Caine was een leugenaar, een manipulator, een moordenaar. En toch lag Caine nu waarschijnlijk met Diana op satijnen lakens terwijl ze echt eten aten en een dvd’tje keken. Schoon beddengoed, gevulde chocoladerepen en een beeldschoon, gewillig meisje.
Caine had in zijn hele leven nog nooit iets goeds of aardigs gedaan, en hij leidde nu een luxeleventje.
Sam had keihard zijn best gedaan en zich tot het uiterste gegeven, en hij zat in zijn huis met knallende koppijn en de stank van kots om zich heen terwijl de twee ibuprofenpillen een gat in zijn maagwand brandden.
Alleen.
Op de dagen dat Hunter iets had gevangen, bracht hij zijn buit altijd naar het benzinestation. Vandaag, in het vroege ochtendlicht, terwijl de eerste zonnestralen de heuvels achter hem verwarmden, was hij van zijn slaapplaats op de helling naar beneden gelopen met vier vogels, een das, twee wasberen en een tas vol eekhoorns. Hij wist niet meer hoeveel eekhoorns, maar de tas was zwaar.
Het was een hele vracht. Alles bij elkaar was het waarschijnlijk zo zwaar als een kind. Maar niet zo zwaar als een hert – die moest hij altijd slachten en in stukken naar beneden slepen.
Geen hert vandaag. En hij had Ouwe Poema ook nog niet gevild. Dat was een flinke klus. Hij wilde de huid heel houden, dus hij moest voorzichtig te werk gaan.
Hij zou het poemavel dragen als hij het gedroogd had. Het zou hem warm houden en aan Ouwe Poema herinneren.
Hunter droeg de eekhoorntas over zijn ene schouder. De andere dieren had hij aan elkaar gebonden en met het touw over zijn andere schouder gehangen. Maar daar moest hij wel mee oppassen, vanwege dat ding op zijn schouder.
De jongen die Roscoe heette kwam eraan. Hij liep achter een kruiwagen en keek niet erg blij. Altijd als Hunter kwam was of Roscoe er, of dat meisje dat Marcie heette. Marcie was aardig. Maar Hunter wist dat ze bang voor hem was. Waarschijnlijk omdat hij niet goed kon praten.
‘Hoi, Hunter,’ zei Roscoe. ‘Gast, gaat het wel goed met je?’
‘Ja.’
‘Je ligt helemaal open, man. Jemig, dat moet toch pijn doen.’
Hunter volgde Roscoes blik. Zijn t-shirt was opengescheurd tot aan zijn navel. Recht over zijn buik hadden de klauwen van Ouwe Poema twee diepe, bloederige striemen achtergelaten. Er begon net een korstje op te komen.
Hij raakte de wonden voorzichtig aan, maar het deed geen pijn. Hij voelde er eigenlijk helemaal niets van.
‘Je bent wel een bikkel, Hunter,’ zei Roscoe. ‘Maar goed, zo te zien heb je een goede jacht gehad vandaag.’
‘Dat klopt, Roscoe,’ zei Hunter. Hij praatte zo zorgvuldig mogelijk. Maar toch klonken de woorden niet zoals hij vroeger woorden maakte. Het klonk alsof zijn tong onder de lijm zat.
Hunter tilde het touw voorzichtig van zijn schouder. Hij lette goed op dat hij het ding op zijn schouder niet aanraakte. Hij legde de dieren in de kruiwagen. Toen keerde hij de eekhoorntas om en gooide de eekhoorns erbovenop. Ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Grijs, met een borstelige staart. Allemaal een beetje gekookt vanbinnen. Genoeg om dood te gaan. Soms kookte hij hun kopje en soms hun lijf. Het was niet zo makkelijk om het onzichtbare spul te richten dat uit zijn handen straalde.
Hij wist niet meer hoe het heette. Astrid had er een woord voor. Maar dat was heel lang.
‘Gaat het echt wel goed met je, Hunter?’ vroeg Roscoe nog een keer.
‘Ja. Ik heb eten. En mijn slaapzak is weer droog. Ik had hem gewassen in een beekje.’
‘Dus jij hebt zoet water om te wassen,’ zei Roscoe. ‘Ik ben jaloers. Moet je dit shirt eens voelen.’ Hij gebaarde naar Hunter dat hij het stijve, in zout water gewassen katoen moest voelen.
‘Het voelt best oké,’ zei Hunter behoedzaam.
Roscoe snoof. ‘Ja joh, tuurlijk. Zout water. Moet je jouw eigen shirt eens voelen.’ En Roscoe stak zijn hand uit om aan Hunters shirt te voelen. Hij raakte Hunters schouder aan.
De verkeerde schouder.
‘Aaaahh!’ gilde Roscoe van schrik en pijn. ‘Wat…’
‘Het ging per ongeluk!’ schreeuwde Hunter.
‘Ik ben gebeten!’ Hij hield zijn vinger voor Hunters neus om het te laten zien. Hunter zag tandafdrukken. Bloed.
Roscoe staarde hem doordringend aan. Tuurde naar Hunters schouder. ‘Wat heb je op je schouder, gast? Wat is dat? Wat zit daaronder? Een beest of zo?’
Hunter slikte. Niemand had zijn schouder nog gezien. Hij wist niet wat er zou gebeuren als iemand zijn schouder zou zien.
‘Ja, Roscoe, het is een beest,’ zei Hunter, die deze uitleg gretig aangreep.
‘Nou, het heeft me anders wel gebeten!’
‘Sorry,’ zei Hunter.
Roscoe greep de handvatten van de kruiwagen beet en tilde hem op. ‘Ik kap ermee. Marcie mag het voortaan elke dag doen – ik heb hier geen zin meer in.’
‘Oké,’ zei Hunter. ‘Dag.’
Jennifer B. ging vlak na zonsopgang op pad.
Ze wist zeker dat ze dood zou gaan als ze in het huis zou blijven. Ze had een tijd – uren? dagen? – op de vloer geslapen, met haar dekens over zich heen.
De rillingen kwamen in golven. Het ene moment had ze het bloedheet en schopte ze de dekens van zich af. Dan sloeg de koorts weer om en kreeg ze het koud, koud tot op het bot.
Jennifer H. was dood. Jennifer L. had geen antwoord gegeven toen Jennifer B. haar kreunend had gevraagd mee te gaan.
‘Jen… Ik ga… naar het ziekenhuis.’
Geen antwoord.
‘Leef je nog?’
Jennifer L. hoestte, dus ze was niet dood, en ze hoestte normaal, niet met de bizarre stuiptrekkingen waar Jennifer H. aan gestorven was. Maar ze gaf geen antwoord.
En dus ging Jennifer Boyles in haar eentje op weg. Ze bonkte op haar billen de trap af, met haar dekens om zich heen geslagen. Rillend, klappertandend.
Het lukte haar om lang genoeg te blijven staan om bij de voordeur te komen en hem open te doen. Maar op de veranda plofte ze plotseling weer neer. Daar bleef ze zitten bibberen tot de koude rillingen wegtrokken.
Ze struikelde toen ze de verandatrap af liep. Door de val raakte haar linkerknie zwaar gekneusd. Dat maakte korte metten met haar laatste restje wil om rechtop te blijven staan. Maar niet met haar laatste restje wil om te overleven.
Jennifer begon te kruipen. Op handen en knieën. Over de stoep. Verstrikt in haar dekens. Afgeremd door de hoestbuien. Ze stopte telkens als de rillingen haar zo heftig door elkaar schudden dat ze alleen maar kon kreunen en hoesten en op haar zij moest gaan liggen.
‘Doorgaan,’ mompelde ze. ‘Je moet door.’
Twee uur later was ze nog maar bij Brace Road.
Daar bleef ze plat op haar buik liggen. Het gehoest verscheurde haar borstkas. Maar dit was nog niet het bovenmenselijke gehoest waaraan Jennifer H. gestorven was.
Nog niet.